Berichten getagd ‘Wetswijziging’

Onafhankelijke rekenkamer of amendement? | 25 aug 2021

Onafhankelijke rekenkamers

Het kabinet streeft met de aankomende Wet versterking decentrale rekenkamers naar onafhankelijke rekenkamers in alle Nederlandse gemeenten. Martijn Mussche licht toe waarom dat een goede zaak is.

Raadsbehandeling van een rekenkamerrapport

Laatst gebeurde het weer. Een raadscommissie besprak een rekenkamerrapport. De voorzitter van de raadscommissie liet achtereenvolgens diverse raadsleden aan het woord en er ontspon zich een mooi inhoudelijk debat. Toen een bepaald raadslid aan bod kwam, toonde deze zich even wat ongemakkelijk. Hij gaf aan tevens rekenkamercommissielid te zijn en had om die reden tot dan toe “op zijn handen gezeten” in het debat. Hij wilde als medeverantwoordelijke voor het rekenkameronderzoek eigenlijk op de achtergrond blijven, maar tegelijk ook zijn visie geven en reageren op de inbreng van de andere raadsleden. En zo ging het ook. Hij zette zijn pet als rekenkamercommissielid af en zette zijn pet als raadslid op. Het was een kort moment van ongemak, waarna het debat ‘’gewoon’’ weer verder ging.

Debat in een raadscommissie

Wat er zich in die situatie voordeed, was een kleine frictie tussen twee rollen: die van rekenkamercommissielid en die van raadslid. Het zijn rollen die niet hoeven te conflicteren, zoals in bovengenoemd voorbeeld, maar die wel kunnen conflicteren. Door een zuivere scheiding aan te brengen tussen gemeenteraad en rekenkamer kan dit potentiële conflict worden vermeden. De rekenkamer is dan echt onafhankelijk en kan zich vanuit die onafhankelijke positie onbezwaard kritisch uitlaten over zowel college als raad. Een dergelijke kritische houding is lastig als raadsleden invulling geven aan de rekenkamerfunctie. Het openbaar bestuur is gebaat bij een onafhankelijke en kritische blik. Een blik die niet gekleurd of belemmerd wordt door politieke-bestuurlijke overwegingen. Het is dan ook een goede zaak dat de rekenkamerfunctie verdwijnt en dat elke gemeente een onafhankelijke rekenkamer krijgt.

Van rekenkamerfunctie naar onafhankelijke rekenkamer

Ongeveer twintig jaar geleden zorgde een amendement voor de vreemde constructie van de rekenkamerfunctie. Hierdoor konden raadsleden lid zijn van een rekenkamercommissie. Nu, bijna twintig jaar later, doet het kabinet met de Wet versterking decentrale rekenkamers een nieuwe poging om de rekenkamer als onafhankelijk orgaan in te richten. In eerste instantie had het kabinet voor ogen dat raadsleden als adviseur onderdeel konden uitmaken van een rekenkamer. Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State schrapte het kabinet deze mogelijkheid uit het uiteindelijke wetsvoorstel. Het kabinet vindt het belangrijk dat de rekenkamer institutioneel wordt versterkt en de onafhankelijkheid vergroot. Dat betekent dat raadsleden geen plek krijgen in de nieuwe rekenkamers.

Gooit een amendement nu weer roet in het eten?

Net als twintig jaar geleden is er echter sprake van een amendement dat roet in het eten dreigt te gooien. Het amendement Van der Molen stelt dat, met uitzondering van de voorzitter, de helft van de rekenkamerleden tevens raadslid mag zijn. Kortom, alles blijft grofweg bij het oude en ook het vage concept van ‘rekenkamerfunctie’ blijft met dit amendement bestaan. Dat komt de onafhankelijke positie en daarmee de statuur van een rekenkamer niet ten goede. Waar een wetsvoorstel veelal diep doordacht is, aangepast op basis van een uitgebreide consultatie, gecheckt door de Raad van State en uitgewerkt in een memorie van toelichting, geldt dat niet voor een amendement. Een amendement dat, zoals de ervaring leert, zo maar kan worden aangenomen, ook al is het echt geen verbetering. Benieuwd hoe dit verder gaat. Als het goed is, weten we na de behandeling in de Tweede Kamer op 27 september 2021 meer.

Slapende rekenkamers: een weg naar activering? | 12 aug 2021

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ziet een rekenkamer als ‘slapend’ wanneer er (bijna) geen onderzoek wordt gedaan, het budget (zo goed als) nul is, er geen rekenkamerleden zijn benoemd of bij een combinatie van deze factoren. Het percentage gemeenten met een actieve rekenkamer ligt al jaren rond de 90 procent en ook het aantal gemeenten zonder een rekenkamer of met een slapende rekenkamer lijkt vrij stabiel te blijven. Volgens de meest recente cijfers waren er in 2019 32 gemeenten zonder een actieve rekenkamer, en 323 met een actieve rekenkamer. De gemeenten met slapende rekenkamers voldoen formeel aan de wet, maar materieel niet. [1] Bovendien is het niet hebben van een actieve rekenkamer zonde voor de betreffende gemeenten: rekenkamers dragen met hun onderzoek immers bij aan versterking van het openbaar bestuur. In dit blog licht Rubin ten Broeke toe hoe het ervoor staat met slapende rekenkamers, en wat mogelijke oplossingen zouden kunnen zijn.

Hoe ‘ontstaat’ een slapende rekenkamer?

Uit onderzoek komen meerdere redenen naar voren voor slapende rekenkamers. Deze redenen zijn door de jaren heen ongeveer gelijk gebleven:

• De raad hecht geen waarde aan een rekenkamer;
• De gemeente is te klein voor het instellen van een effectieve rekenkamer;
• De samenwerking tussen gemeenten is niet goed bevallen;
• Door herindeling moet de rekenkamer een nieuwe start maken.

Tot slot is een gebrekkig budget van de gemeenteraad voor rekenkamers een verklaring voor slapende rekenkamers. Door een gebrekkig budget kunnen rekenkamers geen (of weinig) onderzoek verrichten. Bij een gebrekkig budget ontstaat ook het gevaar dat de gemeenteraad het werk van de rekenkamer minder relevant vindt omdat de rekenkamer maar weinig onderzoek doet. Daarom kan de raad besluiten om nog minder onderzoeksbudget aan de desbetreffende rekenkamer beschikbaar te stellen.

Wet versterking decentrale rekenkamers

Op dit moment ligt er een wetsvoorstel in de Tweede Kamer om de rekenkamerfunctie af te schaffen en de (onderzoeks)bevoegdheden van lokale rekenkamers uit te breiden. Een van de redenen waarom de regering het wetsvoorstel heeft ingediend, is omdat het een impuls zou kunnen geven om slapende rekenkamers te activeren. Zo geven sommige gemeenten in een rapport van de Werkgroep Lokale rekenkamers aan dat zij, met het wetsvoorstel in het vooruitzicht, bezig zijn met een traject om hun rekenkamer te activeren. Andere gemeenten met een slapende rekenkamer geven aan het wetsvoorstel af te wachten alvorens zij beginnen met activering.

Er waren ook kritische geluiden op het wetsvoorstel. Zo is de VNG van mening dat het wetsvoorstel een ‘paardenmiddel’ is en steunt deze daarom niet. De VNG meent dat de wetswijziging zich richt op de ‘uitzonderingen’ (de slapende rekenkamers) maar dat ook de goed functionerende rekenkamers in negatieve zin worden geraakt. Zo moeten ook actieve rekenkamers (mede) bestaande uit raadsleden (rekenkamerfuncties) aanpassingen maken in hun samenstelling. Raadsleden mogen, als het wetsvoorstel door de Tweede Kamer komt, alleen nog als adviseurs deelnemen aan rekenkamers en niet meer als lid. Het verbeteren van de cultuur en kwaliteit van (inactieve) rekenkamers is volgens de VNG niet op te lossen met een structuurwijziging zoals de wetswijziging.

Andere wegen naar activering

De Werkgroep Lokale rekenkamers is door het ministerie van Binnenlandse Zaken in het leven geroepen om rekenkamers te versterken. In een rapport uit 2019 geeft de werkgroep een aantal zinvolle aanbevelingen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken om rekenkamers (verder) te versterken. Een aantal van deze aanbevelingen richt zich specifiek op het activeren van slapende rekenkamers:

1. Rol burgemeesters. De werkgroep beveelt aan om ‘de druk bij notoir slapende rekenkamers te vergroten om wakker te worden via de burgemeesters’. De burgemeesters zouden volgens de werkgroep (samen met de griffier) een belangrijke verantwoordelijkheid moeten krijgen om het onderwerp activering van slapende rekenkamers te agenderen.

2. Ondersteuning lokale rekenkamers van (zeer) kleine gemeenten. De randvoorwaarden om rekenkamers goed te laten functioneren in deze gemeenten zijn volgens de werkgroep vaak niet optimaal. De rekenkamers in deze gemeenten zijn daarom op zoek naar een vorm en werkwijze die goed past bij de lokale context waarin de rekenkamer opereert. Volgens de werkgroep zou een gezamenlijke rekenkamer voor deze gemeenten een oplossing kunnen zijn.  

3. Tijdelijke ondersteuning door ervaren rekenkameronderzoekers. Deze onderzoekers kunnen gemeenten helpen die in een traject zitten van het activeren van hun rekenkamer. De onderzoekers kunnen onder meer helpen om eenmalig een onderzoek te doen, bij wijze van ‘voorbeeld en inspiratie’.

Op 28 september 2021 staat een plenair debat in de Tweede Kamer gepland over de Wet versterking decentrale rekenkamers. Als de wet wordt aangenomen, moet deze nog door de Eerste Kamer worden behandeld. Of de wet zal leiden tot minder slapende rekenkamers zullen we dus nog moeten afwachten. In de tussentijd kunnen gemeenten, gemeenteraden en burgemeesters al wel aan de slag met bovengenoemde aanbevelingen om hun slapende rekenkamers wakker te maken.


[1] Slapende rekenkamers voldoen formeel aan de wet omdat zij door de raad zijn ingesteld. Materieel voldoen deze rekenkamers niet aan de wet omdat er geen (of minimaal) budget is voor onderzoek.

De Wet bescherming Klokkenluiders in aantocht | 5 aug 2021

Voor 17 december 2021 moeten alle EU-lidstaten de nieuwe EU-richtlijn 2019/1937 hebben geïmplementeerd in hun nationale wetgeving. De richtlijn beoogt een minimum beschermingsniveau te bieden en de positie van klokkenluiders te versterken. Nederland heeft al enige mate van bescherming geregeld in de Wet Huis voor Klokkenluiders, maar veel EU-landen hebben nationaal nog weinig of zelfs geen (wettelijke) bescherming geregeld voor klokkenluiders. Doel van het realiseren van een hoger beschermingsniveau is dat inbreuken op het Unierecht (eerder) worden gemeld.

Onlangs heeft de ministerraad ingestemd met een wetsvoorstel dat de huidige Wet Huis voor Klokkenluiders wijzigt en ook een nieuwe naam geeft: Wet bescherming klokkenluiders. In onze ogen een naam die meer in lijn is met doel en strekking van de wet. Het wetsvoorstel introduceert verder een aantal nieuwe regels met betrekking tot klokkenluiden en brengt meer verplichtingen voor werkgevers met zich mee.

Het parlement moet eerst nog instemmen met het wetsvoorstel. Dat het een complex veld betreft, is terug te zien in de (pogingen tot het creëren van) wetgeving ter bescherming van klokkenluiders. Verschillende partijen zijn dan ook kritisch over het voorstel. Zo is er reeds kritiek geuit door onder meer Transparency International Nederland (TI-NL) en het Huis voor Klokkenluiders. Volgens TI-NL is het een complex wetsvoorstel waarvan het maar de vraag is of de bescherming van klokkenluiders hiermee vooruit gaat.

Een aantal belangrijke elementen uit het wetsvoorstel licht Shauni Drost toe in deze blog.

Persoonlijk toepassingsgebied

Allereerst wordt het ‘’persoonlijk toepassingsgebied’’ – de kring van beschermde personen – uitgebreid. De personen zullen een werkverband moeten hebben met de organisatie. Zo worden personen beschermd die in het kader van hun werkzaamheden in aanraking komen met inbreuken op het Unierecht en die inbreuken melden of openbaren, en benadeeld (kunnen) worden door de organisatie aan wie de inbreuk wordt toegeschreven. Het gaat daarbij niet enkel om werknemers en ambtenaren, maar ook om bijvoorbeeld vrijwilligers, stagiairs, zzp’ers, (onder)aannemers, aandeelhouders en sollicitanten. Daarnaast biedt de nieuwe wet bescherming aan degene die een melder bijstaat – denk aan een vertrouwenspersoon en vakbondsvertegenwoordiger – en aan familieleden en collega’s van de melder die ook kunnen worden benadeeld indien er een werkrelatie is met degene tegen wie de melding zich richt.

Intern meldkanaal

De richtlijn verplicht juridische entiteiten in de private sector met vijftig werknemers of meer en alle werkgevers in de publieke sector tot het inrichten van interne meldkanalen en procedures. Hierop gelden enkele uitzonderingen. De richtlijn schrijft voor aan welke specifieke eisen het meldkanaal dient te voldoen. Deze uitgebreidere eisen zijn opgenomen in artikel 1a en 2a van het wetsvoorstel.

Intern melden niet meer verplicht

Een ander belangrijk gevolg van de nieuwe wet is dat klokkenluiders direct kunnen besluiten om de kwestie extern te melden (bij een bevoegde autoriteit) of zelfs openbaar te maken. Het verdient opmerking dat openbaarmaking slechts in enkele gevallen toegestaan is. In ieder geval is intern melden niet meer verplicht. Wel blijkt uit de memorie van toelichting dat (eerst) intern melden wordt aangemoedigd. Dat is het uitgangspunt. Om die reden is het dan ook van belang dat organisaties een open en veilige organisatiecultuur creëren waar er ruimte is voor tegenspraak, zodat misstanden (snel) kunnen worden opgelost en wellicht zelfs kunnen worden voorkomen.

Benadelingsverbod en de omgekeerde bewijslast

Ter bescherming van klokkenluiders is er reeds een benadelingsverbod opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, de Politiewet 2012 en de Wet ambtenaren defensie.[1] Het verbod op benadeling betreft maatregelen en handelingen die in de arbeidsrelationele sfeer nadelig of schadelijk zijn voor de melder (of andere personen die tot de ’kring van beschermden’ horen). Voorbeelden van benadeling zijn schorsing en ontslag, maar ook degradatie, het onthouden van bevordering, overdracht van taken, loonsverlaging of verandering van locatie van de arbeidsplaats. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld ook dwang en intimidatie een vorm van benadeling zijn.  

Maar de nieuwe wet biedt meer bescherming. Zo wordt de (rechts)positie van klokkenluiders verstevigd doordat de bewijslast in het kader van het benadelingsverbod wordt omgekeerd. Indien er dus sprake is van een (dreiging met of poging tot een) vorm van benadeling tegen de ‘’melder’’ ligt de bewijslast dus niet meer bij de klokkenluider maar bij de werkgever. De omgekeerde bewijslast houdt dan ook in dat er een verband wordt aangenomen tussen de benadeling en de gedane melding, en het is aan de werkgever om te bewijzen dat de benadeling niet het gevolg is van de melding. Wanneer er sprake is van voldoende bewijs om aan te tonen dat de benadeling geen verband houdt met de melding, is niet duidelijk. De praktijk zal het uitwijzen. In ieder geval betekent de omgekeerde bewijslast een versterking van de (rechts)positie van de melder. Dit is een goede zaak omdat een klokkenluider – vaak (voormalig) werknemer – in veel gevallen ‘’alleen’’ opbokst tegen de ‘’grote’’ werkgever.

Materieel toepassingsgebied: een ‘maatschappelijk’ belang

Iets dat niet wijzigt is het vereiste ‘maatschappelijke’ belang. Toch bestaat er in de praktijk een hoop discussie over het begrip, hetgeen voldoende reden is om er kort bij stil te staan. Wil er namelijk sprake zijn van een misstand in de zin van de (huidige) Wet Huis voor Klokkenluiders, dan zal de vermoede misstand een maatschappelijk belang moeten hebben. Maar wanneer is er sprake van een maatschappelijk belang? In ieder geval moet er sprake zijn van een of meer van de volgende situaties: overtreding van de wet, gevaar voor de volksgezondheid, gevaar voor de veiligheid van personen, gevaar voor de aantasting van het milieu of gevaar voor het goed functioneren van de organisatie als gevolg van onbehoorlijk handelen of nalaten. Daarnaast geeft het Huis voor Klokkenluiders aan dat het kan inhouden ‘’dat de vermoede misstand meerdere mensen aangaat, een structureel karakter en ernstige gevolgen heeft’’. Maar ook al deze situaties en voorbeelden leiden tot vragen. Een ding is zeker: het begrip ‘maatschappelijk belang’ moet verder worden uitgekristalliseerd.

TI-NL stelt voor om het vereiste van het ‘maatschappelijk belang’ te schrappen en er een niet uitputtende definitie van te maken. Derhalve zouden melders minder snel ontmoedigd raken om een kwestie aan de kaak te stellen, en zou de definitie bijdragen aan een organisatiecultuur waarin ‘’het melden en bespreken van zaken die ‘niet lopen’ gewoon is’’. Met het oog op de bevoegdheid van het Huis voor Klokkenluiders om een onderzoek in te stellen – welke een tamelijk zware (overheids)interventie op een onderneming of instelling behelst[2] – lijkt het mij juist om het vereiste van ’maatschappelijk’ belang te behouden. Daarnaast is het mijns inziens – ook gezien het uitgangspunt van intern melden – passend dat integriteitsproblemen en/of misstanden die geen uitstraling of effect hebben buiten de onderneming of instelling (en in die zin dus geen maatschappelijk belang raken) zo veel als mogelijk binnen de onderneming worden opgelost.[3]


[1] Zie artikel 7:658c BW, artikel 47, derde lid, van de Politiewet 2012 en de artikelen 12quater, tweede lid, en 12o, vijfde lid, van de Wet ambtenaren defensie.
[2] Een onderzoek door het Huis is een tamelijk zware (overheids)interventie op een onderneming of instelling die zijn rechtvaardiging moet vinden in algemene, door de overheid behartigde belangen, aldus D.V.A. Brouwer en T.A.H.M. van de Laar in ‘Het ‘Huis voor klokkenluiders’ Liever renovatie dan nieuwbouw’, Jaarboek Compliance 2014, p. 237-253.
[3] D.V.A. Brouwer en T.A.H.M. van de Laar, ‘Het ‘Huis voor klokkenluiders’ Liever renovatie dan nieuwbouw’, Jaarboek Compliance 2014, p. 237-253.