Opinie

Voorwaarden voor een goed functionerende rekenkamer | 16 sept 2021

De lokale rekenkamer is een nuttig instrument voor gemeenten. De rekenkamer doet onafhankelijk onderzoek naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Daarmee draagt de lokale rekenkamer bij aan de kaderstellende en controlerende taken van de raad en daardoor aan een beter (lokaal) bestuur. In een eerder blog was al te lezen dat het van belang is dat slapende rekenkamers door gemeenten worden gewekt. In deze blog van Rubin ten Broeke lees je meer over de voorwaarden voor een goed functionerende lokale rekenkamer.

Voorwaarde 1: voldoende onderzoeksbudget

Sommige lokale rekenkamercommissies beschikken over een (zeer) beperkt onderzoeksbudget. Daardoor kunnen deze rekenkamers geen of weinig onderzoek uitvoeren. Ook bestaat het gevaar dat deze rekenkamercommissies slapend worden. Er bestaat een informele norm van €1 per inwoner voor het budget van rekenkamers (€1,24 gecorrigeerd voor indexatie). Deze norm is echter gedateerd: deze komt uit 2004 en is nooit bijgesteld. Voor het bepalen van het onderzoeksbudget van rekenkamers door de raad zouden volgens de Werkgroep lokale rekenkamers ook de omvang van de gemeentebegroting en de wensen van de raad over het aantal onderzoeken en het type onderzoeken moeten meespelen.

Voorwaarde 2: goed samenspel tussen rekenkamer en raad

De lokale rekenkamer is in 2004 in het leven geroepen als hulptroep en instrument van de raad om het beleid van de gemeente op een onafhankelijke manier te onderzoeken. Daarmee draagt zij bij aan een beter bestuur. Uit onderzoek blijkt dat een goede, professionele relatie tussen raad en rekenkamer ervoor zorgt dat de raad zijn taken beter kan uitvoeren. In deze professionele relatie is het van belang dat de betrokkenheid van de raad bij de rekenkamer is geborgd. Dit kan bijvoorbeeld door het inrichten van een klankbordgroep van raadsleden of door als rekenkamer regelmatig overleg te houden met de raad, onder andere door het organiseren van een inloopspreekuur.

Voorwaarde 3: de rekenkamer als onafhankelijk orgaan

De wetgever heeft altijd voor ogen gehad dat de rekenkamercommissie zou opereren als onafhankelijk orgaan. Een uitdaging in het samenspel tussen raad en rekenkamer is het vinden van balans tussen afstand (onafhankelijkheid) en nabijheid (als rekenkamer aansluiten bij wensen en behoeften van de raad). Zoals Martijn Mussche eerder in zijn blog schreef kan deze onafhankelijkheid van de rekenkamer in het geding komen wanneer raadsleden lid zijn van een rekenkamercommissie (of rekenkamerfunctie). Een zuivere scheiding tussen gemeenteraad en rekenkamer is daarom nodig om potentiële conflicten tussen raad en rekenkamer te vermijden, en ervoor te zorgen dat de rekenkamer als onafhankelijk orgaan kan opereren.

Onafhankelijke rekenkamer of amendement? | 25 aug 2021

Onafhankelijke rekenkamers

Het kabinet streeft met de aankomende Wet versterking decentrale rekenkamers naar onafhankelijke rekenkamers in alle Nederlandse gemeenten. Martijn Mussche licht toe waarom dat een goede zaak is.

Raadsbehandeling van een rekenkamerrapport

Laatst gebeurde het weer. Een raadscommissie besprak een rekenkamerrapport. De voorzitter van de raadscommissie liet achtereenvolgens diverse raadsleden aan het woord en er ontspon zich een mooi inhoudelijk debat. Toen een bepaald raadslid aan bod kwam, toonde deze zich even wat ongemakkelijk. Hij gaf aan tevens rekenkamercommissielid te zijn en had om die reden tot dan toe “op zijn handen gezeten” in het debat. Hij wilde als medeverantwoordelijke voor het rekenkameronderzoek eigenlijk op de achtergrond blijven, maar tegelijk ook zijn visie geven en reageren op de inbreng van de andere raadsleden. En zo ging het ook. Hij zette zijn pet als rekenkamercommissielid af en zette zijn pet als raadslid op. Het was een kort moment van ongemak, waarna het debat ‘’gewoon’’ weer verder ging.

Debat in een raadscommissie

Wat er zich in die situatie voordeed, was een kleine frictie tussen twee rollen: die van rekenkamercommissielid en die van raadslid. Het zijn rollen die niet hoeven te conflicteren, zoals in bovengenoemd voorbeeld, maar die wel kunnen conflicteren. Door een zuivere scheiding aan te brengen tussen gemeenteraad en rekenkamer kan dit potentiële conflict worden vermeden. De rekenkamer is dan echt onafhankelijk en kan zich vanuit die onafhankelijke positie onbezwaard kritisch uitlaten over zowel college als raad. Een dergelijke kritische houding is lastig als raadsleden invulling geven aan de rekenkamerfunctie. Het openbaar bestuur is gebaat bij een onafhankelijke en kritische blik. Een blik die niet gekleurd of belemmerd wordt door politieke-bestuurlijke overwegingen. Het is dan ook een goede zaak dat de rekenkamerfunctie verdwijnt en dat elke gemeente een onafhankelijke rekenkamer krijgt.

Van rekenkamerfunctie naar onafhankelijke rekenkamer

Ongeveer twintig jaar geleden zorgde een amendement voor de vreemde constructie van de rekenkamerfunctie. Hierdoor konden raadsleden lid zijn van een rekenkamercommissie. Nu, bijna twintig jaar later, doet het kabinet met de Wet versterking decentrale rekenkamers een nieuwe poging om de rekenkamer als onafhankelijk orgaan in te richten. In eerste instantie had het kabinet voor ogen dat raadsleden als adviseur onderdeel konden uitmaken van een rekenkamer. Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State schrapte het kabinet deze mogelijkheid uit het uiteindelijke wetsvoorstel. Het kabinet vindt het belangrijk dat de rekenkamer institutioneel wordt versterkt en de onafhankelijkheid vergroot. Dat betekent dat raadsleden geen plek krijgen in de nieuwe rekenkamers.

Gooit een amendement nu weer roet in het eten?

Net als twintig jaar geleden is er echter sprake van een amendement dat roet in het eten dreigt te gooien. Het amendement Van der Molen stelt dat, met uitzondering van de voorzitter, de helft van de rekenkamerleden tevens raadslid mag zijn. Kortom, alles blijft grofweg bij het oude en ook het vage concept van ‘rekenkamerfunctie’ blijft met dit amendement bestaan. Dat komt de onafhankelijke positie en daarmee de statuur van een rekenkamer niet ten goede. Waar een wetsvoorstel veelal diep doordacht is, aangepast op basis van een uitgebreide consultatie, gecheckt door de Raad van State en uitgewerkt in een memorie van toelichting, geldt dat niet voor een amendement. Een amendement dat, zoals de ervaring leert, zo maar kan worden aangenomen, ook al is het echt geen verbetering. Benieuwd hoe dit verder gaat. Als het goed is, weten we na de behandeling in de Tweede Kamer op 27 september 2021 meer.

Op naar een onafhankelijke rekenkamer | 23 okt 2019

Adviserend lidmaatschap raadsleden geschrapt

Er is al langere tijd een – soms hoogoplopende – discussie over de wenselijkheid van raadsleden in een rekenkamercommissie. De NVRR kwam er niet uit en schetste omfloers de contouren van een compromis: wel raadsleden in de rekenkamer, maar niet te veel en niet op de voorzittersstoel. De minister koos in eerste instantie ook voor een compromis. In het wetsvoorstel voor de Wet versterking decentrale rekenkamers uit 2018 was er nog sprake van de mogelijkheid van een adviserend lidmaatschap van raadsleden bij de rekenkamer. Dit zou een passende wijze zijn om aan een zinvolle betrokkenheid van de raad vorm te geven. De Algemene Rekenkamer, maar ook de Randstedelijke Rekenkamer en de G4-rekenkamers toonden zich al eerder kritisch over dit adviserend lidmaatschap. De Afdeling advisering van de Raad van State adviseerde de minister recent (september 2019) om de keuze voor het adviserend lidmaatschap van raadsleden nader te motiveren, aangezien er ook andere manieren zijn om de betrokkenheid van de gemeenteraad te waarborgen. De Afdeling vroeg ook aandacht voor de wettelijke afbakening van het adviserend lidmaatschap. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling heeft de minister de mogelijkheid om raadsleden als adviseur toe te voegen aan de rekenkamer nu heroverwogen en naar eigen zeggen “geschrapt uit het wetsvoorstel”. Raadsleden kunnen dus geen lid zijn van een rekenkamer. Wellicht is er niet zozeer sprake van schrappen, maar is het zo dat de minister ervoor kiest vast te houden aan het bewezen model van de rekenkamer zoals deze nu ook al in de Gemeentewet staat. Hierbij is de onafhankelijkheid van de rekenkamer geborgd door artikel 81f dat voorschrijft dat een lid van de rekenkamer niet tegelijk raadslid (of burgemeester, wethouder of ambtenaar) van de betrokken gemeente kan zijn.

Op weg naar onafhankelijke rekenkamers

Het nieuwe wetsvoorstel repareert enkele weeffouten die door het politiek-bestuurlijke spel in de wet zijn geslopen. De minister kiest nu voor een klare lijn. Het vage concept rekenkamerfunctie verdwijnt en daarmee verdwijnt ook de rekenkamercommissie. Is het dan zo dat de gemengde rekenkamercommissies niet onafhankelijk opereerden? Nee, in onze ervaring werken de gemengde rekenkamercommissies bijna altijd naar behoren. Politiek-bestuurlijke sturing behoort tot de uitzonderingen. En als het zich voordoet, dan grijpt de voorzitter in. Ook als de voorzitter tevens raadslid is. Maar het blijft ongemakkelijk, omdat de rekenkamercommissie soms ook iets vindt van het functioneren van de raad. Ook zorgt het model van raadsleden in de rekenkamercommissie soms voor ‘gedoe’. Mogen de raadsleden in de rekenkamercommissie de verslagen van gesprekken met ambtenaren of wethouders inzien? Als de voorzitter van de rekenkamercommissie tevens fractievoorzitter is, wie voert dan het debat over het rekenkamerrapport in de raadszaal?

De Raad voor het Openbaar Bestuur gaf in dit kader aan te hechten aan het beginsel van ‘vorm volgt functie’. De Raad ziet de vorm dus als een afgeleide van de functie: in welke vorm decentrale rekenkamers zijn gegoten is niet allesbepalend voor het functioneren ervan. Op zich is dat juist. Ook een rekenkamercommissie met raadsleden kan onafhankelijk opereren. Maar als de functie van een rekenkamer is om onafhankelijk toezicht te houden, onder andere op het functioneren van de gemeenteraad, volgt daar dan niet logischerwijs uit dat de inrichting van de rekenkamer die onafhankelijkheid moet ondersteunen (en dus geen vragen moet oproepen)? Zoals het er nu naar uitziet gaat de nieuwe wet zorgen voor een betere borging van de onafhankelijkheid van de rekenkamer. Dat is een goede zaak.

Escalatie van commitment | 7 okt 2019

Met het rapport ‘IJs en weder dienende’ constateerde de rekenkamercommissie van Hoogeveen in oktober 2018 dat de gemeente onvoldoende grip had op korte- en lange termijn risico’s van het project om een combinatie ijsbaan en zwembad te realiseren. Er was onzekerheid over de juridische haalbaarheid van een nog op te zetten obligatielening, de stijgende bouwkosten, het energieconcept en over de exploitatie van de ijsbaan-zwembad combinatie. Ondanks deze risico’s en toenemende waarschuwingssignalen bleef het college van Hoogeveen optimistisch en vastberaden.

Lees meer

Wetsvoorstel ‘versterking decentrale rekenkamers’ | 5 dec 2018

Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) schaft de rekenkamerfunctie voor gemeenten af. Met het wetsvoorstel ‘versterking decentrale rekenkamers’ verdwijnt de keuzemogelijkheid voor gemeenten om zelf regels voor de rekenkamerfunctie te stellen, waardoor iedere gemeente een onafhankelijke rekenkamer moet instellen.

Lees meer

Rekenkameronderzoeken grondexploitatie: een korte meta-analyse | 29 juni 2018

Unravelling Rekenkameronderzoeken grondexploitatie

De economische crisis bracht veel gemeenten in grote financiële problemen, mede dankzij forse verliesnemingen in de grondexploitatie. In deze korte meta-analyse worden de bevindingen van zes rekenkameronderzoeken naast elkaar gelegd en op hoofdlijnen vergeleken.

rekenkameronderzoek grondexploitatie Unravelling

Cijfers liegen niet

Grondexploitatie was jaren een betrouwbare inkomstenbron voor Nederlandse gemeenten. De economische crisis bracht daar 10 jaar geleden verandering in. Er werden forse verliezen geleden en gemeenten kwamen erdoor in grote financiële problemen. Deloitte rekende in 2016 uit dat gemeenten sinds 2009 ruim € 3 miljard verlies hebben geleden door afwaarderingen in de grondexploitatie. Mede dankzij deze verliezen daalde de totale reserve van Nederlandse gemeenten met € 1,1 miljard.

Hoewel in 2017 nog altijd 1 op de 3 gemeenten te maken heeft met tekorten in de grondexploitatie (gemiddeld € 0,8 miljoen per gemeente), lijkt het ergste achter de rug. Door de aantrekkende woningmarkt en een groeiende economie durven gemeenten weer voorzichtig actief grondbeleid te voeren. Dit houdt in dat ze actief grond aankopen, ontwikkelen en (het liefst met winst) weer verkopen. Vorig jaar lag het totale saldo van grondexploitatie door Nederlandse gemeenten boven de € 1 miljard, zelfs hoger dan voor de crisis. Toch lijkt er wel iets te zijn veranderd. Werd er in 2010 nog ter waarde van zo’n € 850 miljoen aan grond aangekocht door gemeenten, in 2017 is dit gedaald tot ‘slechts’ € 147 miljoen; het laagste niveau in tien jaar tijd.

Gemeenten zijn voorzichtiger geworden en proberen de verliezen uit de crisistijd goed te maken. Maar welke conclusies werden er destijds getrokken in de verschillende rekenkamerrapporten die over dit thema verschenen? Voor deze korte meta-analyse zijn rekenkamerrapporten van zes verschillende gemeenten bestudeerd en vergeleken. Dit zijn in willekeurige volgorde: de gemeente Rotterdam (rapport gepubliceerd in 2012), Deventer (2013), Dordrecht (2013), Apeldoorn (2012), Dalfsen (2013) en Boxtel (2015). Al deze onderzoeken richten zich op de informatievoorziening, risicobeheer en sturing van het grondbedrijf van de gemeente. Op één na zijn het allemaal case studies, waarbij aan de hand van casussen het grondbeleid wordt ontrafeld en beoordeeld.

Meest voorkomende bevindingen

De conclusies van deze onderzoeken vertonen een aantal overeenkomsten, waaronder:

  • Planoptimisme: Te hoge verwachtingen over de opbrengsten;
  • Onvoldoende aandacht voor risico’s en risicobeheersing;
  • Berekening weerstandscapaciteit onvolledig;
  • Informatievoorziening richting de raad onvoldoende;
  • Geen actualisatie van benodigde kader- en beleidsnota’s;

Uiteraard biedt een korte analyse als deze geen conclusies die voor alle gemeenten geldend zijn. Daarbij moet ook in acht worden genomen dat de onderzoeken ten tijde van de crisis zijn uitgevoerd en gericht waren op het blootleggen van de zwakke kanten van beleid. Deze korte analyse van zes rapporten laat zien dat er bij diverse gemeenten op grote lijnen dezelfde constateringen zijn gedaan bij onderzoek naar het grondbeleid. De verwachting waren onrealistisch hoog, er was onvoldoende aandacht voor de risico’s en mede door gebrekkige informatievoorziening schoot de controle tekort. De waarde van grond is altijd gebaseerd op schattingen en wordt beïnvloed door diverse factoren, zoals inflatie, prijsschommelingen en rente. Gemeenten nemen daardoor altijd een zeker risico bij de exploitatie van grond. Of er daadwerkelijk is geleerd van de vele (rekenkamer)onderzoeken naar dit thema moet de toekomst gaan uitwijzen.

In al deze onderzoeken wordt gesproken van zogenaamd ‘planoptimisme’, één van de belangrijkste oorzaken van de financiële misère. De gemeenten verwierven en ontwikkelden op grote schaal grond en hadden hoge verwachtingen van de toekomstige opbrengsten. Er ontstond een discrepantie tussen de  ramingen en de daadwerkelijke opbrengsten van de exploitatie. Tegelijkertijd was er volgens deze onderzoeken onvoldoende aandacht voor de risico’s. De berekening van de weerstandscapaciteit gaf bij deze gemeenten een vertekend beeld van de aanwezige risico’s in het grondbedrijf. Daarnaast blijkt uit deze onderzoeken dat de informatievoorziening richting gemeenteraad onvoldoende was voor zijn kaderstellende en controlerende taken. De oorzaak hiervan ligt onder andere bij onvolledige of niet tijdig aangeleverde informatie. Bovendien bleken de benodigde beleids- en kadernota’s vaak niet geactualiseerd en/of geëvalueerd. Daarnaast was er bij deze gemeenten geen eenduidig risicosysteem waardoor risico’s binnen de organisatie wisselend gewaardeerd en beoordeeld werden. Dit alles zorgde ervoor dat de raad onvoldoende zicht had op de risico’s en hier ook beperkt op kon sturen.


Bronnen:

  • Korthals Altes, W. (2018). Financiële gegevens bouwgrondexploitaties: Financiële gegevens bouwgrondexploitatie gemeenten tot en met 4e kwartaal 2017 (2e plaatsing). Delft: OTB-Onderzoek voor de gebouwde omgeving. Faculteit Bouwkunde, TU Delft;
  • Binnenlands Bestuur (2015) Grond, geld en gemeenten: De betekenis en gevolgen van de gemeentelijke grondexploitaties voor de bestuurlijke en financiële verhoudingen, Binnelands Bestuur, juli 2015;
  • Deloitte (2017) Gemeentelijke grondposities gehalveerd; data analyse grondposities gemeenten, ©2017 Deloitte The Netherlands;
  • Rekenkamer Rotterdam (2012) Grond voor exploitatie: Onderzoek naar grondexploitatie in tijden van crisis, September 2012, Rotterdam;
  • Rekenkamercommissie Deventer (2013) Risico’s beheerst? Onderzoek naar risicomanagement van grondexploitaties, Deventer, december 2013;
  • Rekenkamercommissie Dordrecht (2013) Achter grond; Een onderzoek naar de informatievoorziening rondom grondbeleid en grondexploitatie, Dordrecht, 2013
  • Gemeente Apeldoorn (2012) De grond wordt duur betaald: Raadsonderzoek naar het grondbedrijf in de gemeente Apeldoorn, Apeldoorn, 2012
  • Gemeente Dalfsen (2013) Onderzoek naar de (financiële) beheersing van de grondexploitatie van de gemeente Dalfsen, Dalfsen, december 2013;
  • Rekenkamercommissie gemeente Boxtel (2015) Sturing grondbeleid Boxtel, juli 2015.