Cases
Rekenkameronderzoek subsidiebeleid Zaltbommel | September 2025
De rekenkamer van Zaltbommel heeft in 2025 Unravelling Onderzoek & Advies opdracht gegeven onderzoek te doen naar het subsidiebeleid van de gemeente Zaltbommel. Aanleidingen waren signalen vanuit de gemeenteraad en gesprekken met fracties over de werking, transparantie en effectiviteit van het subsidiestelsel. Centrale onderzoeksvragen betroffen de mate waarin subsidies bijdragen aan beleidsdoelen, de doelmatigheid van de middelenbesteding en het functioneren van het beleid in de uitvoering. Het onderzoek was gericht op subsidies in verschillende domeinen, waaronder het sociaal domein, cultuur en sport. Daarbij is gekeken naar de samenhang tussen beleid en subsidieregelingen, de wijze van sturing en verantwoording, en de ervaringen van zowel de gemeente als subsidieontvangers.
Methode
De bevindingen zijn gebaseerd op documentstudie van beleidsdocumenten, subsidieregelingen, -aanvragen, -verantwoordingen, -beschikkingen en evaluaties. Daarnaast zijn interviews gehouden met beleidsmedewerkers, accounthouders, bestuurders en subsidieontvangers, en is een interactieve raadsessie georganiseerd om input van de gemeenteraad op te halen. Het casusonderzoek richtte zich op verschillende regelingen, waaronder de Sociale Basis, cultuur, dorpshuizen en inwonersinitiatieven.
Beleid en samenhang
Het subsidiebeleid van de gemeente Zaltbommel is gebaseerd op een activiteitgerichte aanpak, waarbij activiteiten (output) worden ingezet om bredere doelstellingen (outcome) te realiseren. In de praktijk ontbreekt echter een expliciete beleidsmatige onderbouwing voor een groot deel van de subsidieregelingen. Voor domeinen als sport en cultuur zijn geen heldere beleidskaders of toetsbare doelstellingen geformuleerd, waardoor onduidelijk blijft welke resultaten de gemeente precies wil bereiken en hoe subsidies daaraan bijdragen. Dit bemoeilijkt gerichte sturing.
Uitvoering en sturing
De uitvoering kenmerkt zich door een sterke nadruk op relaties en samenwerking tussen gemeente en subsidieontvangers. Bij grotere subsidies vindt sturing plaats via accounthouders en prestatieafspraken, waarbij in gesprekken wordt afgestemd op doelen en activiteiten. Formele, expliciete beoordelingscriteria ontbreken echter vaak of zijn gefragmenteerd opgenomen in verschillende documenten. Dit leidt tot inconsistente beoordelingen en beperkte transparantie voor aanvragers. Kleinere organisaties ervaren het aanvraagproces als complex en weinig inzichtelijk. Bovendien vormt de late toekenning van subsidies een structureel knelpunt dat de continuïteit van activiteiten ondermijnt.
Transparantie en toegankelijkheid
Het subsidiebeleid bestaat uit een reeks afzonderlijke regelingen zonder een verbindend overkoepelend kader. Dit gebrek aan samenhang bemoeilijkt het totaaloverzicht, zowel voor de gemeente zelf als voor aanvragers. Nieuwe initiatieven en innovatieve aanbieders vinden daardoor moeilijk hun weg naar het bestaande systeem. Verder worden incidentele subsidies niet systematisch geregistreerd en soms herhaaldelijk verstrekt zonder afdoende beleidsmatige grondslag. Dit beperkt de financiële transparantie en maakt het lastig het totale subsidiegebruik adequaat te overzien.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
Subsidies dragen in veel gevallen aantoonbaar bij aan de realisatie van activiteiten en maatschappelijke initiatieven. Inzicht in de daadwerkelijke effecten op outcome-niveau ontbreekt echter. Verantwoording is overwegend outputgericht (gericht op aantallen en beschrijvingen van activiteiten) en biedt onvoldoende grondslag voor een oordeel over het maatschappelijk rendement. De verhouding tussen ingezette middelen en behaalde resultaten is niet systematisch inzichtelijk, waardoor het moeilijk vast te stellen is in hoeverre subsidies daadwerkelijk bijdragen aan de beoogde beleidsdoelen. Het subsidiebudget is weinig flexibel: continuering van bestaande subsidies is de norm, terwijl toetreding van nieuwe initiatieven ingewikkeld is. Dit zet druk op de beschikbare middelen en staat vernieuwing in de weg.
Rol van de gemeenteraad
De gemeenteraad vervult een kaderstellende rol in het subsidiebeleid, maar beschikt in de praktijk over ontoereikende stuurinformatie om die rol adequaat in te vullen. Informatievoorziening aan de raad is voornamelijk incidenteel van aard en sluit niet aan op de informatiebehoefte. Raadsleden geven aan behoefte te hebben aan meer inzicht in de effecten van subsidies en aan periodieke rapportages die hen beter in staat stellen hun kaderstellende en controlerende rol te vervullen.
Conclusies en aanbevelingen
De rekenkamer concludeert dat de gemeente Zaltbommel subsidies breed inzet om maatschappelijke doelen te ondersteunen en daarbij kan rekenen op betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het subsidiebeleid biedt echter onvoldoende houvast voor gerichte sturing, transparantie en verantwoording. Het ontbreken van duidelijke, meetbare doelstellingen en een overkoepelend beleidskader maakt beoordeling van doeltreffendheid en doelmatigheid structureel lastig en belemmert tijdige bijsturing.
Unravelling beveelt aan het subsidiebeleid langs vier lijnen te versterken: de ontwikkeling van een overkoepelend kader dat de afzonderlijke regelingen verbindt; het vergroten van transparantie over zowel structurele als incidentele subsidieverstrekking; het formuleren van concrete en toetsbare doelstellingen per domein en het verbeteren van monitoring en resultaatgerichte rapportage. Aanvullend dient de toegankelijkheid voor nieuwe initiatieven te worden vergroot en de informatievoorziening aan de gemeenteraad structureel te worden versterkt, zodat de raad zijn kaderstellende en controlerende rol effectiever kan vervullen.
Opdrachtgever: Rekenkamer Zaltbommel
Onderzoekers: Marion Mulaji en Miriam Dorigo
Oplevering rapport: september 2025
Lees hier het rapport: Rapport subsidiebeleid Zaltbommel
Rekenkameronderzoek MFC It Spektrum | Mei 2025
In het dorp Burdaard, behorend bij de gemeente Noardeast-Fryslân, staat een groot en modern gebouw: MFC It Spektrum. Het gebouw werd in 2009 gebouwd voor de stichting Multifunctioneel Centrum Burdaard. Er waren hoge ambities voor het gebouw, wat zich vertaalde in een ontwerp met onder meer een ruimte voor een huisarts en een apotheek, meerdere vergaderzalen, een sportzaal, ruimtes voor sportverenigingen, een theater en uiteindelijk ook een zwembad. Deze ambities sloten echter niet aan bij de wensen van het dorp. Er ontstonden financiële en bestuurlijke problemen rondom het gebouw. In de periode 2022-2024 volgde een zoektocht van het college naar oplossingen voor de problemen die waren ontstaan. Het college heeft de gemeenschap uit Burdaard-Jislum e.o. (mienskip) op meerdere manieren betrokken in het besluitvormingsproces. Ook stelde het college de Projectgroep Behoud Basisvoorzieningen Burdaard-Jislum e.o. in om een oplossingsrichting te ontwikkelen. Het college en de raad wezen in oktober 2024 de door de projectgroep geadviseerde oplossingsrichting af. Dit leidde tot ontevredenheid in de projectgroep en in de mienskip.
Unravelling deed in 2025 in opdracht van de Rekenkamer van de gemeente Noardeast-Fryslân onderzoek naar de aanpak van het college. Hierbij stond de volgende vraag centraal:
Hoe heeft het college de zoektocht naar een oplossing voor de problemen rond MFC It Spektrum in Burdaard in de periode 2022-2024 opgepakt en uitgewerkt?
Dit onderzoek geeft inzicht in de feiten en omstandigheden rond dit proces. Het doel is om te identificeren wat er goed ging en wat er beter kon, met het oog op toekomstige trajecten waarin de betrokkenheid van de mienskip van belang is. De rekenkamer heeft haar eigen conclusies en aanbevelingen opgesteld.
Methode
De onderzoekers voerden het onderzoek uit door middel van een documentanalyse en het afnemen van interviews.
De documentanalyse bevatte circa 320 documenten. Het betrof openbare documenten uit het raadsinformatiesysteem, maar ook niet openbare documenten zoals notulen van de klankbordgroep, de projectgroep Behoud Basisvoorzieningen Burdaard-Jislum e.o. en de ambtelijke interne overlegstructuur van de gemeente. Daarnaast zijn er interviews afgenomen met sleutelfiguren, waaronder het Bestuur MFC It Spektrum, de Vertegenwoordiger vrijwilligers en raadsleden.
Bevindingen
De feiten en omstandigheden rond het MFC werden aan de hand van de concepten ‘bovenstroom’ en ‘onderstroom’ uiteengezet. De bovenstroom omvat de formele processen, rollen en besluitvorming zoals deze zijn vastgelegd in afspraken, kaders en beleidsstukken. De onderstroom gaat in op de emotionele en relationele dynamiek tussen de betrokken partijen. Juist hier kwamen spanningen, misverstanden en teleurstellingen naar voren.

Bovenstroom
De gemeenteraad formuleerde begin 2023 enkele globale voorwaarden voor het MFC (behoud van basisvoorzieningen, beheersbare exploitatie, draagvlak en bereidheid tot keuzes). Deze werden als richtinggevend kader gezien, maar waren inhoudelijk en financieel niet scherp uitgewerkt en werden bovendien niet vastgelegd in een formeel raadsbesluit.
In maart 2023 werd een projectgroep ingesteld door het college, het bestuur van de stichting en de klankboordgroep om gedeeltelijke sloop te verkennen. De projectgroepverschoof gaandeweg naar het scenario van volledige sloop en kleinschalige nieuwbouw, met instemming van de wethouder. De raad werd hierover wel per brief geïnformeerd, maar door verzending in de zomervakantie kreeg dit weinig aandacht, waardoor het oorspronkelijke raadskader feitelijk verschoof zonder formele heroverweging.
Daarnaast speelde er de kwestie dat de vorige projectleider meerdere rollen vervulde, namelijk van adviseur voor de stichting, facilitator van de projectgroep én opsteller van het raadsvoorstel. Dit zorgde voor frictie en wantrouwen.
Ten slotte adviseerde de projectgroep in maart 2024 om het MFC volledig te slopen en kleinschalig nieuw te bouwen. Dit voorstel bleek financieel onvoldoende onderbouwd doordat kapitaallasten niet waren meegenomen en de afdeling Financiën nauwelijks betrokken was. Hierdoor steeg de raming van €4,6 naar €6,7 miljoen, wat leidde tot het intrekken van het raadsvoorstel en het beëindigen van de samenwerking met de projectleider.
Onderstroom
De mienskip zag het verlieslatende MFC als een erfenis uit het verleden, maar kreeg vanaf 2022 opnieuw vertrouwen in het proces door de verbindende rol van de projectleider. Binnen de projectgroep werd de verschuiving van gedeeltelijke naar volledige sloop als een logisch resultaat van gezamenlijke analyses gezien. De raad was volgens hen goed geïnformeerd en stelde geen beperkingen. Daardoor verwachtte de projectgroep dat het advies, waarvoor zij ook steun van gemeente en mienskip veronderstelden, in april 2024 in de raad zou worden besproken.
Wethouder Jouta ervoer haar positie als lastig: zij wilde de bestuurlijke controle herstellen, maar zag ook de teleurstelling die dit bij de projectgroep en de mienskip veroorzaakte. De kritische reactie van het college op het advies van maart 2024 leidde tot een vertrouwensbreuk. Tegelijk bleef er verwarring bestaan over rollen en mandaat: de projectgroep voelde zich eerst een gelijkwaardige partner maar kreeg een adviesrol.
De projectgroep ervoer diepe teleurstelling, vooral over de procesgang en communicatie van het college. Het college denkt volgens hen ten onrechte denkt dat de teleurstelling vooral over het afgewezen advies gaat. Hierdoor overwogen meerdere projectgroepleden te stoppen.
Conclusie
MFC It Spektrum vervult een belangrijke functie voor de mienskip, maar door de omvang van het gebouw was een kostendekkende exploitatie niet haalbaar. Tussen 2022 en 2024 bleek hoe lastig het was om bestuurlijke verantwoordelijkheid, participatie en financiële realiteit te combineren: raadskaders waren niet formeel vastgelegd, rollen en bevoegdheden waren onduidelijk en de bestuurlijke regie was beperkt. Toen het college later afstand nam van het participatieproces en een andere oplossingsrichting koos dan die van de projectgroep, leidde dit tot wantrouwen en verlies van draagvlak. Eerder opgebouwd vertrouwen ging grotendeels verloren.
Opdrachtgever: Rekenkamer Noardeast-Fryslân
Onderzoekers: Martijn Mussche en Hannelore Schouwstra
Oplevering rapport: mei 2025
Lees hier het rapport: Rapport MFC It Spektrum
Integriteitsonderzoek naar ongecontroleerde geldstromen in een zorginstelling
Wegens de vertrouwelijkheid van het onderzoek is deze casus geanonimiseerd.
Binnen een zorginstelling ontstonden signalen dat er mogelijk iets niet klopte in de omgang met medische hulpmiddelen en geldstromen. De vertrouwenspersoon van de zorginstelling kreeg een melding van een medewerker over grensoverschrijdend gedrag van een leidinggevende. De melding betrof een vermoeden van diefstal van goederen van de zorginstelling. De melder gaf daarnaast aan dat er sprake zou zijn van doorverkoop van tweedehands medische hulpmiddelen tegen contante betaling. Naar aanleiding van deze signalen vroeg de zorginstelling onderzoeksbureau Unravelling om de situatie te onderzoeken.
Methode
Het onderzoek van Unravelling naar de ontvreemding was opgedeeld in twee delen: een vooronderzoek en een verdiepend onderzoek. In het vooronderzoek onderzochten we de bewering van de melder inzake de ontvreemding, om te kunnen bepalen of er sprake was van een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van een misstand en/of van een integriteitsschending en/of van een strafbaar feit. Ook wilden we duidelijkheid over situatie rondom de medische hulpmiddelen: hoe was de situatie, wie was verantwoordelijk en wie was betrokken. We voerden hiervoor een persoonlijk gesprek met de melder, in het bijzijn van de vertrouwenspersoon. In het vooronderzoek stelden we op grond van de feiten vast dat een onderzoek proportioneel was, en voldeed aan de eisen ten aanzien van subsidiariteit (geen lichter middel was passend).
In het verdiepend onderzoek sprak de onderzoeker de leidinggevende en verschillende medewerkers. Daarnaast voerde de onderzoeker een documentanalyse uit, waarbij onder andere e-mails, de gedragscode en administratie zijn bekeken.
Bevindingen
Het onderzoek leverde geen bewijs op dat er sprake is geweest van ontvreemding van goederen (of geld) door de leidinggevende (of door de melder zelf). Het onderzoek toonde echter wel aan dat er binnen de zorginstelling een praktijk bestond van doorverkoop van medische hulpmiddelen. De hulpmiddelen werden door cliënten met enveloppen contant geld betaald. Meerdere medewerkers gaven aan op de hoogte te zijn van deze praktijk. Ook hadden meerdere medewerkers deze enveloppen in ontvangst genomen. Ondanks het feit dat deze praktijk binnen de zorginstelling geen geheim was, was er geen bewijs dat de leidinggevende op de hoogte hiervan was of opdracht hiertoe had gegeven.
De afhandeling van deze contante betalingen lijkt niet op correcte wijze te zijn verlopen. Er was geen bewijs dat leidinggevende of melder de bedragen hebben ontvreemd, maar het was ook niet duidelijk of de bedragen in de kas van de zorginstelling zijn gestort. Er was dus sprake van een ongecontroleerde stroom aan contante betalingen binnen de instelling.
Aanbevelingen
De aanbevelingen aan de zorginstelling richtten zich op de interne administratie en het monitoren van leidinggevenden binnen de instelling. We hebben onder meer aanbevolen de contante geldstroom te beperken, door cliënten hulpmiddelen rechtstreeks bij de externe leverancier te laten bestellen zonder tussenkomst van de zorginstelling. Daarnaast was adequate registratie en beheer van medische hulpmiddelen nodig. Het advies was om hiervoor expliciet een beheerder te benoemen. Ten slotte hebben we aanbevolen om de onwenselijkheid van de beschreven praktijken te bespreken met de leidinggevende.
Opdrachtgever: Een zorginstelling
Onderzoeker: Martijn Mussche
Oplevering rapport: september 2023
Rekenkameronderzoek armoedebeleid Kampen | September 2025
De rekenkamer van Kampen heeft in 2025 Unravelling Onderzoek & Advies opdracht gegeven onderzoek te doen naar het armoedebeleid van de gemeente Kampen. Aanleiding voor het onderzoek was de vraag in hoeverre het beleid doeltreffend en doelmatig is en hoe de doelgroep de uitvoering ervaart. Het onderzoek sluit aan bij recente beleidsontwikkelingen, zoals het Actieprogramma Aanpak Armoede, de Meerjarenstrategie Sociaal Domein 2040 en de in ontwikkeling zijnde Agenda Bestaanszekerheid en Kansen voor Iedereen.
Het onderzoek richtte zich niet alleen op beleidskaders en financiële inzet, maar ook op de uitvoering in de praktijk en de ervaringen van inwoners en uitvoerende partijen. Hierdoor kreeg de rekenkamer inzicht in de werking van het armoedebeleid voor verschillende doelgroepen en in de drempels die daarbij worden ervaren.
Methode
De bevindingen zijn gebaseerd op interviews met medewerkers van de ambtelijke organisatie van de gemeente Kampen en met verschillende organisaties binnen het Kamper armoedenetwerk. In deze gesprekken is ingezoomd op beleidskeuzes, uitvoering, samenwerking en de ervaren knelpunten en kansen in de praktijk. Daarnaast is een wereldcafé georganiseerd waarin raadsleden en vertegenwoordigers uit het armoedenetwerk elkaar ontmoetten en met elkaar in gesprek gingen. Deze bijeenkomst bood ruimte voor uitwisseling van perspectieven, reflectie op de onderzoeksbevindingen en verdieping van het inzicht in de werking van het armoedebeleid vanuit zowel bestuurlijk als uitvoerend perspectief. Tevens zijn gesprekken gevoerd met de doelgroep en is veldwerk verricht tijdens ontmoetingsmomenten van belangrijke organisaties binnen het armoedenetwerk.

Beleid en sturing
Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente Kampen duidelijke bestuurlijke inzet en beleidsmatige voortgang laat zien op het terrein van armoedebestrijding. De afgelopen jaren zijn stappen gezet richting vereenvoudiging en verruiming van regelingen, zoals de Meedoenbon en de individuele inkomenstoeslag. Tegelijkertijd is geconstateerd dat concrete, meetbare beleidsdoelen grotendeels ontbreken. Hierdoor is het lastig om systematisch te sturen op resultaten en om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid adequaat te monitoren en te verantwoorden.
Drempels en kansen
Hoewel de gemeente beschikt over een passende set regelingen, maken niet alle inwoners die daarvoor in aanmerking komen hier gebruik van. Het bereik verschilt per voorziening en per doelgroep. Met name zzp’ers, werkenden met een laag inkomen, flexwerkers en inwoners met een migratieachtergrond blijken lastiger te bereiken.
Uit gesprekken met ervaringsdeskundigen blijkt dat factoren als schaamte, stress, wantrouwen jegens de overheid en administratieve complexiteit een belangrijke rol spelen bij het niet gebruiken van beschikbare regelingen. Digitalisering en vereenvoudiging van voorzieningen bieden wel kansen om bestaande drempels weg te nemen, maar sluiten nog niet altijd aan bij de leefwereld van kwetsbare inwoners.
Samen sterker in de uitvoering
De uitvoering van het armoedebeleid kenmerkt zich door de betrokkenheid en inzet van professionals en door een sterk Kamper armoedenetwerk, waarbinnen maatschappelijke organisaties een cruciale rol spelen bij het bereiken en ondersteunen van inwoners; ook voor inwoners voor wie de weg naar de overheid minder vanzelfsprekend is. De samenwerking binnen dit netwerk is waardevol en laagdrempelig, maar ook kwetsbaar door het informele karakter en het ontbreken van structurele regie.
Het onderzoek toont aan dat de gemeentelijke armoederegisseur beleid, uitvoering en inwoners met elkaar verbindt en daarvoor positief wordt gewaardeerd. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de regierol van de gemeente als geheel organisatorisch nog steviger kan worden geborgd, om de samenwerking minder afhankelijk te maken van personen en hun netwerk, en beter te verankeren in de organisatie.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
Het onderzoek laat zien dat de gemeente Kampen beschikt over een breed palet aan regelingen om inwoners met een laag inkomen of schulden te ondersteunen. Het blijkt dat het bereik van deze regelingen verschilt en dat een deel van de doelgroep geen gebruikmaakt van het beschikbare aanbod. Daardoor is het lastig om vast te stellen in hoeverre de beleidsdoelen daadwerkelijk worden gerealiseerd. Voor inwoners die wél worden bereikt, is de financiële ondersteuning vaak substantieel en kan deze bijdragen aan het verminderen van financiële stress. De doelmatigheid van de ondersteuning is daarmee aannemelijk voor deze groep. Het onderzoek laat echter ook zien dat de gemeente nog beperkt zicht heeft op de resultaten en effecten van het beleid, met name binnen de schuldhulpverlening. Het ontbreken van structurele informatie over bereik, voortgang en effecten maakt het moeilijk om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het armoedebeleid als geheel goed te beoordelen en waar nodig gericht bij te sturen.
Conclusie en aanbevelingen
Op basis van het onderzoek concludeert de rekenkamer dat de gemeente Kampen duidelijke bestuurlijke inzet toont op het terrein van armoedebestrijding en beschikt over een betrokken uitvoering en een waardevol armoedenetwerk. Tegelijkertijd blijkt dat het armoedebeleid nog onvoldoende houvast biedt voor gerichte sturing en verantwoording. Het ontbreken van concreet geformuleerde, meetbare doelen maakt het lastig om systematisch te volgen in hoeverre het beleid de beoogde effecten bereikt en om tijdig bij te sturen.
Unravelling beveelt daarom aan om het armoedebeleid te versterken met duidelijke, meetbare doelstellingen en periodieke rapportages over bereik en effecten. Daarnaast is het van belang om meer zicht te krijgen op welke doelgroepen worden bereikt en welke groepen buiten beeld blijven, zodat communicatie en toeleiding hier beter op kunnen worden afgestemd. Ook wordt aanbevolen om mensgericht en stress-sensitief werken steviger te verankeren in de uitvoering en om de regierol van de gemeente binnen het armoedenetwerk structureel te borgen. Tot slot vraagt de inrichting van de schuldhulpverlening om herijking, zodat de gemeente beter kan sturen op samenwerking, kwaliteit en resultaten.
Opdrachtgever: Rekenkamer Kampen
Onderzoekers: Annika Hofman, Linde Zwijnenburg, en Marion Mulaji, Martijn Mussche, Miriam Dorigo en Pita Klaassen
Oplevering rapport: september 2025
Lees hier het rapport: Rapport Armoedebeleid Kampen
Vertrouwen in de lokale democratie in Noordenveld | November 2025
In opdracht van de rekenkamer van de gemeente Noordenveld heeft Unravelling onderzoek uitgevoerd naar de actuele mate en de beleving van vertrouwen tussen de gemeente Noordenveld en haar inwoners.
De hoofdvraag van het onderzoek was:
Hoe is het gesteld met de (beleving van de) wederzijdse vertrouwensrelatie tussen de gemeente Noordenveld en haar ingezetenen?

Achtergrond
Hoewel Nederlanders over het algemeen tevreden zijn over het functioneren van de democratie, verschilt het vertrouwen in de politiek sterk tussen groepen inwoners. Op lokale schaal kan een afnemend vertrouwen grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat inwoners zich niet gehoord voelen of afhaken. Voor de rekenkamer van Noordenveld was dit aanleiding om onderzoek te laten doen naar hoe inwoners de lokale democratie ervaren en hoe zij de relatie met het gemeentebestuur beoordelen.
Methode
Het onderzoek is uitgevoerd via deskresearch, een inwonersenquête, interviews met de ambtelijke organisatie, het college en de raad, en twee wereldcafés met inwoners. Een wereldcafé is een interactieve gespreksvorm waarin deelnemers in kleine groepen met elkaar in gesprek gaan over vooraf vastgestelde thema’s. In een open setting wisselen deelnemers ervaringen, perspectieven en ideeën uit en rouleren zij langs verschillende gesprekstafels. Deze aanpak maakt het mogelijk om op een toegankelijke manier uiteenlopende opvattingen en belevingen op te halen en met elkaar te verbinden.
De opbrengsten van de wereldcafés boden verdiepend kwalitatief inzicht in hoe inwoners de lokale democratie, participatie en de relatie met de gemeente ervaren.
Bevindingen
Uit het onderzoek blijkt dat de vertrouwensrelatie tussen de gemeente Noordenveld en het grootste deel van de inwoners op hoofdlijnen in orde is. Ongeveer 70% van de inwoners is neutraal tot (zeer) tevreden over de manier waarop de lokale democratie functioneert. In Noordenveld is de betrokkenheid bij de eigen leefomgeving relatief groot en ligt de opkomst bij verkiezingen hoger dan het landelijk gemiddelde.
Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat de vertrouwensrelatie met een aanzienlijk deel van de inwoners onder druk staat. Circa een derde van de inwoners is (zeer) ontevreden over het functioneren van de lokale democratie. Een relatief grote groep inwoners ervaart weinig invloed op besluitvorming, voelt zich onvoldoende vertegenwoordigd en heeft beperkt inzicht in hoe en waarom gemeentelijke besluiten tot stand komen.
Vertrouwen, participatie en communicatie
Veel van de ontevredenheid onder inwoners is terug te voeren op onduidelijkheid over participatieprocessen, ervaren gebrekkig verwachtingsmanagement en communicatie die als niet tijdig, versnipperd of onvoldoende toegankelijk wordt ervaren. Daarnaast leeft bij een deel van de inwoners zorgen over rolzuiverheid, informele contacten en een beeld van een gesloten of defensieve organisatie.
Jongeren, inwoners met minder digitale vaardigheden en inwoners zonder sterk sociaal of maatschappelijk netwerk, worden genoemd als groepen die meer moeite hebben om de gemeente te bereiken en om deel te nemen aan besluitvormingsprocessen.
Doeltreffendheid van het democratisch functioneren
De rekenkamer concludeert dat het vertrouwen in de lokale politiek, het bestuur en de ambtelijke organisatie in Noordenveld niet sterk afwijkt van het landelijke beeld, maar dat de rapportcijfers laag blijven. Volgens de Rekenkamer is het van belang om verschillen tussen groepen inwoners zo klein mogelijk te houden, om draagvlak voor het lokale bestuur te behouden en vervreemding of onverschilligheid te voorkomen.
Doorwerking
Op basis van het onderzoek heeft de rekenkamer aanbevelingen geformuleerd voor het college, de gemeenteraad, de ambtelijke organisatie en inwoners. Deze aanbevelingen richten zich onder meer op het verbeteren van participatie, communicatie, rolzuiverheid en het vergroten van het democratisch bewustzijn onder inwoners.
Opdrachtgever: Rekenkamer Noordenveld
Onderzoekers: Linde Zwijnenburg, Miriam Dorigo en Marion Mulaji
Oplevering rapport: november 2025
Lees hier het rapport: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordenveld&id=40820c25-920c-48fb-b91e-0ee3d22f7f45
Hoe garandeer je onafhankelijkheid? | November 2025
En wat gebeurt er als een raadslid een belangenverstrengeling heeft?

Het waarborgen van integriteit is een hoeksteen van goed bestuur, ook binnen de decentrale overheid: de gemeente. Een recent onderzoek van Unravelling laat zien hoe complex en belangrijk het is om deze waarden te beschermen. In deze blog delen we de kernpunten uit dit onderzoek, geanonimiseerd voor vertrouwelijkheid, met inzichten en lessen voor onderzoekers, burgers én gemeentes.
STAP 1. EEN INTEGRITEITSSCHENDING MELDEN
In deze casus draait het om een mogelijke belangenverstrengeling van een raadslid. Hoe moet je daarmee omgaan? In de bestuurlijke gedragscode van de desbetreffende gemeente staat dat een vermoeden van een integriteitsschending gemeld moet worden bij de burgemeester. Enkele raadsleden binnen de organisatie waren van mening dat er sprake was van een belangenverstrengelingen bij een collega-raadslid. Dit hebben zij aangekaart middels een integriteitsmelding t.a.v. de burgemeester. Zij stelden de burgemeester op de hoogte van het vermoeden dat het raadslid ook actief was in een stichting die (mogelijk in de toekomst) opdrachten zou uitvoeren voor de gemeente.
In de gedragscode staat ook expliciet opgenomen dat de burgemeester een vooronderzoek moet uitvoeren, wanneer er een dergelijke integriteitsmelding wordt gedaan. Gezien deze verplichting, heeft de burgemeester contact opgenomen met Unravelling, met de vraag of wij dit vooronderzoek konden uitvoeren.
STAP 2. PLAN VAN AANPAK
In overleg met de griffier is een plan van aanpak opgesteld. Uit het vooronderzoek moest blijken of er inderdaad sprake was van een (schijn van een) belangenverstrengeling. Ambtenaren dienen namelijk de schijn van een belangenverstrengeling ook te voorkomen. Het doel van de vooronderzoek werd als volgt geformuleerd:
- het wettelijk kader vaststellen;
- inzicht bieden in:
- de aard van de feiten van de melding;
- de ontvankelijkheid van de melding;
- de ernst van de zaak;
- de valideerbaarheid van feiten en omstandigheden
Na het vaststellen van het wettelijk kader en de feiten (ons feitenrelaas) werden de feiten getoetst aan de wet- en regelgeving. Uit deze toetst moest blijken of er inderdaad sprake was van een integriteitsschending door het raadslid.
STAP 3. WETTELIJK KADER
Het wettelijk kader betreft de Gemeentewet evenals lokale verordeningen en beleidsregels. De Gemeentewet regelt de interne organisatie van een gemeente en kent bevoegdheden toe aan de verschillende bestuursorganen van de gemeente: gemeenteraad, college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Dit betekent dat de Gemeentewet regels bevat die de verantwoordelijkheden (evenals gedragingen) van gemeenteraadsleden omschrijven.
Artikel 12 van de Gemeentewet verplicht leden van de raad nevenfuncties openbaar te maken. Het is belangrijk te vermelden dat alle functies die kunnen leiden tot belangenverstrengeling, ook als deze geen financiële vergoeding opleveren, moeten worden gemeld. Daarnaast stelt artikel 15 Gemeentewet enkele verboden handelingen vast. Een voorbeeld van een verboden handeling is als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden die met de gemeente een overeenkomst aangaan (rechtstreeks of middellijk) voor het verrichten van werk.
Deze wettelijke verplichtingen en bevoegdheden worden aangevuld door de (al eerder genoemde) gedragscode, die door de raad zelf wordt vastgesteld, aldus artikel 15 lid 3 Gemeentewet. Deze gedragscode ziet ook op onder andere op het tegengaan van belangenverstrengelingen, het vereiste nevenfuncties te melden en openbaar te maken, en onthouding van openbaarmaking van negatieve uitlatingen.
STAP 4. FEITENRELAAS
Gezien de vertrouwelijkheid van dit onderzoek is dit onderzoek geanonimiseerd. Dit betekent dat met betrekking tot het feitenrelaas we het hier kort moeten houden. In casu komt het erop neer dat de onderzoekers van Unravelling hebben kunnen vaststellen dat het raadslid inderdaad ook actief was in een stichting die mogelijk in de toekomst activiteiten voor de gemeente ging uitoefenen én dat het raadslid deze nevenfunctie niet had opgegeven. Het raadslid gaf aan dat dit laatste een vergissing was. Hij ontkende echter enige belangenverstrengeling: hij kreeg geen financiële vergoeding en was enkel adviseur. De vraag die beantwoord moest worden was of de mate van verbondenheid in strijd was met wet- en regelgeving.
STAP 5. BEVINDINGEN
Het raadslid was betrokken bij zowel de gemeentelijke besluitvorming als bij de stichting die activiteiten wilde realiseren voor de gemeente. Ook familie van het raadslid was betrokken bij de stichting. Hoewel de persoon in kwestie benadrukte dat de betrokkenheid vrijwillig en belangeloos was, bleek dat de schijn van een belangenverstrengeling niet was weggenomen. Het sturen van een brief naar het gemeentebestuur namens de stichting, waarin werd gepleit voor specifieke acties, versterkte deze indruk. Dit bracht ons tot de conclusie dat er inderdaad een schijn van een belangenverstrengeling was.
STAP 6. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN
Op basis van onze bevindingen hebben wij de burgemeester geadviseerd om (nogmaals) in gesprek te gaan met het desbetreffende raadslid. Zij moest een keuze gaan maken: óf binnen de gemeenteraad actief blijven, óf binnen de stichting.
Deze casus toont aan hoe belangrijk het is dat integriteit hoog op de agenda blijft staan binnen publieke organisaties. Een belangenverstrengeling van een raadslid kan het vertrouwen in de decentrale overheid schaden.
Deze blog is geschreven door Pita Klaassen. Wil je meer weten? Neem dan contact op met haar of met Martijn Mussche.
Onderzoek toezicht en handhaving APV Rijssen-Holten | 18 december 2024
Het college van de gemeente Rijssen-Holten (hierna: het college) heeft besloten om door middel van een 213a-onderzoek Unravelling Onderzoek & Advies te vragen om onderzoek te doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van toezicht en handhaving op het vlak van openbare orde en veiligheid op het vlak van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Relevant voor dit onderzoek is een eerder uitgevoerd rekenkameronderzoek, uitgevoerd in opdracht van de Rekenkamer West-Twente. Dit rekenkameronderzoek is uitgevoerd in achttien gemeenten, waaronder de gemeente Rijssen-Holten. Er werden vier aanbevelingen gedaan in dit onderzoek, relevant voor openbare orde en veiligheid. Het college wilde nagaan of de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek zijn opgevolgd en daarnaast wil zij een analyse van de werkdruk en de prioritering van de handhavingsactiviteiten in de gemeente.

Opvolgen van de aanbevelingen
In 2019 bracht de Rekenkamer West Twente een rapportage uit met een reeks aanbevelingen voor de gemeente Rijssen-Holten om de taken rondom toezicht en handhaving (VTH-taken) te verbeteren. Uit dit onderzoek blijkt dat er naar aanleiding van deze aanbevelingen duidelijke stappen zijn gezet. Zo is vooruitgang geboekt op beleidsniveau, met name door de invoering van het integrale veiligheidsbeleid. Tegelijkertijd kan de beleidsmatige onderbouwing van toezicht en handhaving APV breder, structureel en beter geborgd worden in de organisatie.
Een andere aanbeveling betreft de input vanuit de praktijk. In de gemeente Rijssen-Holten schrijven de boa’s de handhavingsuitvoeringsprogramma’s zelf. Daarmee wordt de input vanuit de praktijk benut in de programmering. Er mist daarbij nog wel een duidelijke beleidsmatige onderbouwing in deze programma’s, gebaseerd op kwantitatieve en kwalitatieve informatie vanuit de praktijk over resultaten, trends en ontwikkelingen. De registratiesystemen van de boa’s bevatten gegevens die nog onvoldoende worden omgezet in bruikbare sturingsinformatie en inzichten.
Tot slot is de samenwerking met de politie een aandachtspunt. Zoals aanbevolen is deze samenwerking geformaliseerd in een handhavingsarrangement. Toch werkt dat in de praktijk soms anders. Veranderende taken van de politie en de handhaving vragen om regelmatige actualisatie van het arrangement, zodat dit actueel kan blijven. Ook kan de samenwerking in de praktijk anders verlopen vanwege de variatie in situaties en betrokken personen.
Werkdruk en capaciteit
De boa’s in Rijssen-Holten hebben een breed takenpakket. Van preventieve zichtbaarheid op straat tot het opvolgen van meldingen en het uitvoeren van prioriteiten uit de handhavingsuitvoeringsprogramma’s – veel komt bij hen samen. Het boa-team van de gemeente Rijssen-Holten zit momenteel op de beoogde capaciteit. Toch blijft de kwalitatieve én kwantitatieve capaciteit een uitdaging bij de gemeentelijke handhaving. Dit heeft directe gevolgen voor de uitvoering van handhavingstaken, wanneer er niet voldoende capaciteit is om alle prioriteiten, ad-hoc acties en reguliere werkzaamheden na te volgen en de boa’s dus voor dilemma’s staan. Daarbovenop worden steeds meer taken vanuit de politie doorgeschoven naar gemeentelijke handhaving.
Ook het behouden van ervaren boa’s is een uitdaging. Veel jonge boa’s stromen na enkele jaren door naar de politie, terwijl het inwerken van nieuwe krachten veel tijd kost. De beperkte bevoegdheden (zoals het ontbreken van geweldsmiddelen voor de meeste boa’s) zorgen daarnaast voor extra belemmeringen bij handhavingstaken. Door dit alles kunnen de prioriteiten van de boa’s in het gedrang komen.
In het rapport is geconstateerd dat het niet altijd duidelijk is wat er blijft liggen of hoe de prioriteiten worden gewaarborgd bij capaciteitsproblemen. De aanbevelingen uit het rapport zijn dan ook duidelijk: er is behoefte aan een betere balans tussen beleidsdoelen en uitvoeringscapaciteit. Daarnaast is het belangrijk om meer inzicht te krijgen in hoe de capaciteit wordt ingezet en wat dit betekent voor de dagelijkse praktijk. Concrete en meetbare doelstellingen in het handhavingsuitvoeringsprogramma, gecombineerd met betere monitoring, kunnen hieraan bijdragen.
Ondermijning
Ondermijning is een groeiend probleem in veel gemeenten, en Rijssen-Holten vormt hierop geen uitzondering. Ondermijning verwijst naar de vermenging van de boven- en onderwereld, waarbij criminelen gebruik maken van legale structuren voor illegale activiteiten. Denk aan drugsproductie in schuren, witwassen via bedrijven of intimidatie binnen de horeca. Voor kleinere gemeenten zoals Rijssen-Holten kan ondermijning extra zichtbaar worden door het waterbedeffect – wanneer strenger optreden in grotere steden criminaliteit naar omliggende dorpen verplaatst.
Sinds de introductie van het handhavingsuitvoeringsprogramma in 2020 en het integrale veiligheidsbeleid in 2021 heeft de gemeente Rijssen-Holten toenemend aandacht voor ondermijning. De focus ligt op preventieve acties, integrale samenwerking met ketenpartners en bewustwording onder inwoners en ondernemers. De nadruk ligt sinds 2023 meer op preventie en voorlichting, een belangrijke verschuiving in de aanpak. Beleidsdoelstellingen zijn helder geformuleerd, en samen met ketenpartners worden acties ondernomen om dit complexe probleem aan te pakken.
Hoewel ondermijning hoog op de agenda staat, blijft de uitvoering een uitdaging door de beperkte capaciteit van de boa’s. Acties tegen ondermijning vragen veel tijd en afstemming met ketenpartners zoals politie, brandweer en het Openbaar Ministerie. In de praktijk betekent dit dat reguliere werkzaamheden, zoals preventieve aanwezigheid op straat, soms moeten wijken voor integrale acties. Het ontbreken van structurele uren voor ondermijning en de intensieve afstemming die deze acties vereisen, maken een gerichte aanpak lastig.
Ondanks de uitgebreide plannen mist een concreet handvat effectief en gecoördineerd op te treden tegen ondermijning. Wel presteert Rijssen-Holten bij sommige gebieden van ondermijning beter dan gemiddeld, vergeleken met gemeenten van vergelijkbare grootte. Dit geeft hoop, maar benadrukt ook dat verdere versterking van samenwerking en capaciteit essentieel is om de strijd tegen ondermijning efficiënt en effectief voort te zetten.
Opdrachtgever: Gemeente Rijssen-Holten
Onderzoekers: Martijn Mussche en Hannelore Schouwstra.
Oplevering rapport: 27 juli 2024
Vergelijkbaar onderzoek door Unravelling:
Onderzoek armoedebeleid Dordrecht ‘Armoede is (niet) niks’ | 11 april 2024
De rekenkamer Dordrecht (hierna: de rekenkamer) wilde weten of het armoedebeleid van de gemeente doeltreffend is. Daarbij had de rekenkamer speciale interesse in de vraag hoe de gemeente toekomstbestendig is, door te kijken naar hoe zij omgaat met onder meer energiearmoede.
De centrale onderzoeksvraag was:
In hoeverre is het armoedebeleid van de gemeente Dordrecht als doeltreffend aan te merken, zodanig dat ook rekening gehouden wordt met armoedeval en energiearmoede. En welke instrumenten zet de gemeente daarvoor in?
We zullen aan het einde terugkomen op de conclusies en aanbevelingen die we in dit onderzoek hebben opgeleverd. Eerst zal deze casusbeschrijving iets meer vertellen over de gebruikte onderzoeksmethoden, met name het interviewen van inwoners.

Onderzoeksmethoden
Rekenkameronderzoek kent een aantal geëigende methoden: de documentstudie, waarin we beleid, uitvoeringsplannen, raadsstukken en P&C-stukken (zoals de jaarrekening) bekijken en analyseren en interviews met beleidsambtenaren en het college. Een onderwerp als armoede heeft daarnaast baat bij een bredere kijk. Het raakt inwoners van een gemeente veel persoonlijker dan bijvoorbeeld verkeersbeleid of inkoopbeleid en er is een scala aan maatschappelijke organisaties die ook een rol spelen in armoedebestrijding, waardoor het beperkt zou zijn om enkel de gemeente zelf te betrekken in het onderzoek. Daarom heeft Unravelling aan de rekenkamer aangeboden om ook in gesprek te gaan met maatschappelijke organisaties en met mensen die te maken hebben met armoede of schulden. Dit hebben we gedaan in de vorm van een rondetafelgesprek en interviews. Maar hoe komen we in contact met mensen die in armoede of schulden leven?
Wie is ‘de doelgroep’?
‘De doelgroep’ is een veelgebruikte term als er gesproken wordt over mensen die ondersteuning krijgen of nodig hebben op het gebied van financiën. Het is daarbij wel goed om er bewust van te zijn dat DE doelgroep niet bestaat. Deze ‘doelgroep’ bevat immers een grote diversiteit aan mensen die ook verschillende soorten ondersteuning nodig kunnen hebben. De ondersteuning kan bijvoorbeeld zo eenvoudig zijn als samen een formulier invullen of éénmalig de administratie op orde brengen, waarna mensen weer zelfstandig verder kunnen. Er zijn echter ook mensen die het niet lukt een gezonde financiële huishouding te voeren, behalve als zij langdurige ondersteuning krijgen. Er is bovendien een breed scala aan redenen dat mensen deze korte of langdurige hulp nodig hebben. De groep mensen over wie we spreken is dus niet onder één noemer te vangen. Kortom; de eerste vraag die een onderzoeker zich moet stellen is; over wie spreken we?
In ons geval hebben we gekozen voor mensen die nu, of in het recente verleden, financiële ondersteuning hebben ontvangen van de gemeente. In het geval van Dordrecht is dat een breed net om uit te werpen; de gemeente biedt een groot scala aan regelingen met ruimhartige inkomensgrenzen. Omdat we specifiek de ondersteuning vanuit de gemeente onderzoeken betekent deze selectie dat we in het onderzoek de mensen uitsluiten die ‘alleen’ hulp ontvingen van een maatschappelijke organisatie.
Contact leggen met inwoners die ondersteuning ontvangen
In Dordrecht hebben we de gemeente om hulp gevraagd bij het leggen van contact met de inwoners die ondersteuning ontvangen. We hebben daarbij te maken met de AVG. De gemeente kent de mensen die hulp ontvangen, maar mag deze gegevens niet met Unravelling delen om hen te benaderen voor onderzoek. Deze inwoners hebben daarvoor immers geen toestemming gegeven. We gebruiken daarom een ‘tweetrapsraket’. De eerste stap bestaat eruit dat consulenten in de uitvoering de mensen die zij al spreken, de vraag stellen of zij mee willen werken aan een onderzoek. De tweede stap is, wanneer deze mensen toestemming geven, om hun gegevens te delen met Unravelling. Wij mogen hen dan benaderen omdat het hen expliciet gevraagd is en zij toestemming hebben gegeven.
We hebben deze ‘tweetrapsraket’ in Dordrecht ook opgezet met maatschappelijke organisaties. Ook zij spreken dagelijks inwoners en kunnen hen vragen of ze willen deelnemen aan onderzoek. Dit heeft voldoende aanmeldingen opgeleverd voor een groepsgesprek en een aantal losse interviews met inwoners van Dordrecht. In een andere gemeente hebben we aanvullend een flyer ontworpen en deze in een lokale krant gezet, hetgeen ook tot aanmeldingen leidde.
Het gesprek
Een belangrijke basis van interviews met inwoners is respect en gelijkwaardigheid. Zij stellen zich kwetsbaar op en hebben geen persoonlijk belang bij het vertellen van hun verhaal, terwijl dit emotioneel belastend kan zijn. Om die reden heeft de gemeente Dordrecht ons geadviseerd een VVV-bon mee te geven aan mensen die willen meewerken aan het onderzoek. Deze bon geven we al bij aanvang van het gesprek: de druk is eraf. Daarnaast vragen wij deelnemers aan het onderzoek (als dit past) of zij het liefst één op één geïnterviewd willen worden of in een groepsgesprek willen deelnemen.
Om deelnemers aan het groepsgesprek op hun gemak te stellen vroegen we hen om een fictieve casus te bespreken. De casus, een fictieve inwoner, had bijvoorbeeld schulden of kon niet goed lezen en schrijven. Op deze manier horen we hoe de gemeente inwoners behandelt en zien we of deelnemers aan het gesprek weten waar ze hulp kunnen krijgen, zonder dat ze direct hun levensverhaal op tafel hoeven te leggen. In de loop van het gesprek stellen we vragen die uitnodigen om ook eigen ervaringen te delen. We zien dat deelnemers aan het onderzoek dat ook doen, omdat ze merken dat hun verhaal ons echt verder helpt in het onderzoek. Door open vragen te stellen en hun ervaringen serieus te nemen nodigen we hen uit om zich open te stellen. Voor dit type gesprekken levert dat de meeste informatie op. Dit is dus een andere aanpak dan interviews met bijvoorbeeld gemeenteambtenaren, waarbij ook kritisch doorvragen van belang is.
Belangrijkste conclusies en aanbevelingen
De gemeente Dordrecht wil armoede tegengaan en zorgen voor bestaanszekerheid voor inwoners. Als deze zekerheid wordt bedreigd, krijgen inwoners van de gemeente op verschillende manieren ondersteuning, zoals hulp bij huisvesting, gezondheidszorg en kansen in onderwijs en werk. De rekenkamer komt tot de conclusie dat Dordrecht in vergelijking met andere gemeenten een ruimhartig armoedebeleid heeft. De gemeente gaf in 2021 enkele honderden euro’s meer dan andere gemeenten uit aan ondersteuning per inwoner in armoede. De gemeente Dordrecht heeft gedegen kennis waarmee het armoede, schulden en bijkomende problemen weet te verminderen. De gemeente doet dit onder meer door bij te dragen aan een armoedenetwerk van maatschappelijke organisaties. Dordrecht loopt voorop in de aanpak van energiearmoede, onder meer met ‘Energiehulpen’, die woningen gratis energiezuiniger maken. Via de Energiehulpen legt de gemeente ook contact met moeilijk bereikbare groepen.
Hoewel er veel goed gaat, raad de rekenkamer Dordrecht het college aan om duidelijke doelen en indicatoren vast te stellen en bij te houden. Bespreek hiervoor met de gemeenteraad wat het belangrijkste aandachtspunt is om armoede te voorkomen en maak daar structureel geld voor vrij. Aangeraden wordt ook om ervoor te zorgen dat meer inwoners gebruik maken van de collectieve zorgverzekering, het persoonlijk minimabudget en de bijzondere bijstand. De rekenkamer beveelt aan om inwoners die moeilijk te bereiken zijn scherper in beeld te brengen en hen te benaderen over de ondersteuningsmogelijkheden die er zijn. Een deel van de inwoners, die herhaaldelijk hulp nodig hebben in de loop der jaren, hebben baat bij een regisseur die hen structureel ondersteunt.
Doorwerking
Op 5 maart 2024 heeft Unravelling de bevindingen uit het rapport gepresenteerd in de beeldvormende sessie van de raadscommissie Gezond, Sociaal en Zorgzaam Dordrecht. De oordeelsvormende sessie volgt voor de zomer van 2024.
Opdrachtgever: Rekenkamer Dordrecht
Onderzoekers: Miriam Dorigo, Rubin ten Broeke en Hannelore Schouwstra.
Oplevering rapport: 5 maart 2024
Vergelijkbaar onderzoek door Unravelling:
Integratie statushouders Bronckhorst | 13 maart 2024
Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering 2021 per 1 januari 2022 is het inburgeringsstelsel in Nederland erg veranderd. Het doel van de wet is om nieuwkomers snel en volwaardig te laten meedoen in de maatschappij. De regie op inburgering ligt in het nieuwe stelsel bij gemeenten. De gemeente dient statushouders zo snel mogelijk in staat te stellen om mee te kunnen doen in Nederland. Daarbij hoort ook dat de gemeente statushouders huisvest en hen zo snel mogelijk een plaats geeft in het arbeidsproces. Deze nieuwe taak en verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat de gemeente voor belangrijke keuzes staat in de uitvoering, rekening houdend met de statushouder en lokale omstandigheden. In opdracht van de rekenkamer van Bronckhorst onderzocht Unravelling hoe dit in deze gemeente geregeld is.
De centrale onderzoeksvraag was als volgt:
Welk beleid heeft de gemeente Bronckhorst voor de opvang en integratie van statushouders en wordt dit beleid doeltreffend en doelmatig uitgevoerd?
Om tot een antwoord op deze onderzoeksvraag te komen deed Unravelling een documentstudie en interviews met uitvoerende organisaties, ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen en met inburgerende statushouders.

Conclusies
De hoofdconclusie is dat de opvang en integratie van statushouders in Bronckhorst over het algemeen goed verloopt. Zo voldoet de gemeente vanaf 2022 aan de halfjaarlijkse taakstelling. De gemeente hanteert een persoonlijke aanpak en kent alle statushouders. De gesproken externe organisaties en statushouders zijn tevreden over de aanpak van de gemeente voor inburgering. Het ontbreekt echter aan een specifiek beleid en bijbehorende doelstellingen. Ook ontbreekt actueel inzicht in de kosten voor inburgering. Daardoor zijn de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid niet vast te stellen.
Aanbevelingen
Op basis van de conclusies kwam de rekenkamer tot de volgende aanbevelingen aan het college en aan de raad (samengevat):
- Formuleer concrete doelstellingen ten aanzien van de inburgering van statushouders. Deze doelstellingen kunnen ook breder zijn dan de plichten die de wet stelt (bijvoorbeeld ten aanzien van welzijn van jeugd en leerplicht).
- Pak de in het rapport genoemde knelpunten aan en neem daarin ook de leerplicht van kinderen van statushouders mee.
- Verbeter het monitoringsproces door eerst met de raad afspraken te maken over de gegevens waar hij graag inzicht in wil, en deze vervolgens vast onderdeel te maken van de P&C-cyclus.
- Breng de raad tijdig en volledig op de hoogte van de eerste resultaten ten aanzien van de afronding van inburgeringstrajecten.
- Actualiseer de gerealiseerde uitgaven voor inburgering in 2022 en 2023 en informeer de raad daarover in de jaarrekening.
- Verken de beleidsvrijheid die de gemeente heeft ten aanzien van inburgering (bijvoorbeeld als het gaat om gezondheid en bemiddeling naar werk) en geef daar vervolgens uw visie op.
Doorwerking
Op 5 februari 2024 schreef het college in haar bestuurlijke reactie dat ze het waardeerde dat de rekenkamer de inzet van het college herkent. Het college onderschreef dat er nog geen actueel inzicht is in de specifieke kosten voor inburgering, dat er een aantal specifieke aandachtspunten zijn en dat de gemeente in ontwikkeling is om meer zicht te krijgen op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de inburgering. Op 7 maart 2024 sprak de raad tijdens de Politieke Avond zijn waardering uit over het rekenkameronderzoek. Ook gaf de raad aan zich te kunnen vinden in conclusies en aanbevelingen. De beoogde eerstvolgende stap was het opstellen van een raadsvoorstel om daarmee het college formeel te verzoeken de aanbevelingen over te nemen.
Opdrachtgever: Rekenkamer Bronckhorst
Onderzoekers: Martijn Mussche en Rubin ten Broeke
Oplevering rapport: december 2023
Vergelijkbaar onderzoek door Unravelling:
Rekenkameronderzoek Armoedebeleid Dordrecht
Grensoverschrijdend gedrag topgolf | 18 januari 2024
Op 2 augustus jongstleden ontving de Koninklijke Nederlandse Golf Federatie (NGF) een notitie van het Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN). Met deze notitie stelde het CVSN de NGF op de hoogte van meldingen die meerdere melders hadden gedaan bij het CVSN. Het betrof meldingen over gedragingen door de bondscoach en door de algemeen directeur. Op 30 augustus 2023 besloot het bestuur van de NGF om een extern onderzoek te beleggen, zodat een objectief en zorgvuldig beeld zou worden geschetst over feitelijke inhoud en juistheid van de meldingen. Unravelling heeft dit onderzoek naar de meldingen uitgevoerd.
De centrale onderzoeksvraag was als volgt:
Welke meldingen zijn gedaan over grensoverschrijdend gedrag binnen het topsportdomein van de NGF, welke bewijsbare feiten en omstandigheden liggen ten grondslag aan deze meldingen en in hoeverre zijn de gemelde gedragingen te kwalificeren als grensoverschrijdend gedrag?
Het onderzoek is ingestoken als een feitenonderzoek naar de meldingen. Om tot een antwoord op de onderzoeksvraag te komen voerde Unravelling gesprekken met in totaal 30 personen. Unravelling heeft zich daarbij – in nauw overleg met CVSN – ingespannen om zoveel mogelijk melders te spreken. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met (ex-)stafleden, met topsporters en met ouders van topsporters. De onderzoekers stonden open voor gesprekken met alle betrokkenen bij het topgolfprogramma die zich zouden aandienen bij de onderzoekers. Het resulteerde in een onderzoeksrapport waar het bestuur van de NGF op 19 december 2023 kennis van nam.

Conclusies
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de communicatiestijl van de bondscoach als ongewenst werd ervaren door een aantal (ex-)stafleden, een aantal ouders van voormalig selectiespelers en een specifieke voormalig selectiespeler in het topsportcircuit. Unravelling heeft geen waarnemingen dat er bij de melders spelers of ouders van de huidige selectie zaten.
Het bestuur van de NGF gaf aan de gevolgen voor de direct betrokkenen te betreuren. Tevens benoemde het bestuur dat het de genoemde omgangsvormen op het gebied van communicatie onwenselijk achtte en dat deze niet in lijn waren met de gewenste cultuur van de NGF. In overleg met de bondscoach besloot het bestuur van de NGF de samenwerking met de bondscoach niet te verlengen na 31 december 2023.
In het onderzoek zijn geen grensoverschrijdende gedragingen van de algemeen directeur aangetroffen. De algemeen directeur legde voor oplevering van het rapport zijn functie neer en nam afscheid van de NGF.
Aanbevelingen en doorwerking
Uit het onderzoeksrapport is tevens een aantal aanbevelingen gekomen voor het topsportklimaat. Het bestuur zal zich in 2024 richten op het verbeteren van het topsportklimaat en de beoogde omgangsvormen. De aanbevelingen worden opgevolgd en in samenspraak met de (gedeeltelijk nieuwe) topsport-staf zullen er beleidsaanpassingen volgen, zo geeft het bestuur aan.
Media
NOS: Golfbond ontvangt meldingen over gedrag bondscoach en directeur
NOS: Directeur golfbond wacht onderzoek over gedrag niet af en stapt op
NOS: Bondscoach Lafeber weg bij golfbond: ‘Omgangsvormen niet in lijn met gewenste cultuur’
NOS: Oud-golfer Derksen luidt noodklok over ongewenst gedrag en slechte prestaties: ‘Doet pijn’
Opdrachtgever: Koninklijke Nederlandse Golf Federatie (NGF)
Onderzoekers: Martijn Mussche, Miriam Dorigo en Hannelore Schouwstra
Oplevering rapport: december 2023
Vergelijkbaar onderzoek door Unravelling:
Onderzoek topsportklimaat triathlon
